Mogen dove kinderen ook ademen?

Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, hospital maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, clinic
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, hospital maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, clinic
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, ed
maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, and
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, website like this
wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, hospital maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, clinic
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, ed
maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, and
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, website like this
wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, buy more about
maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, hospital maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, clinic
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, ed
maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, and
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, website like this
wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, buy more about
maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, viagra maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen hem, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, hospital maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, clinic
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, ed
maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, and
kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, website like this
wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, buy more about
maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen haar zoon, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Gisteren praatte ik met een horende mama van een dove zoon (nu 9 jaar). De mama is iemand die alles, viagra maar dan ook alles wat ze weet over haar kind zelf heeft moeten uitzoeken. Die daar heel hard voor gewerkt heeft.

Toen haar zoon geboren werd, kreeg ze letterlijk te horen “we gaan hem implanteren en het is opgelost”. Tot hij 6 jaar (!) was, wist ze niks over gebarentaal, dove mensen of ook maar iets wat haar haar zoon beter zou doen begrijpen.

Op een bepaald moment merkte ze dat ze er nooit in slaagde iets op een lieve manier te zeggen tegen hem, omdat ze steeds moest roepen en duidelijk articuleren. Nogal moeilijk om dat op een lieve manier te doen. Ze ging op zoek op internet, en vond gebarentaal. De cursus van Fevlado zat vol. Dan maar een jaar gewacht, en begonnen. En daarna de tolkenschool. Op de thuisbegeleidingsdienst hadden ze haar altijd gezegd dat gebarentaal niet nodig was. “Hij hoort toch?”

Haar zoon gaat nu naar het horend onderwijs en ziet niet zo heel veel andere dove kinderen, al doet ze haar best om hem zoveel mogelijk in contact te brengen met andere dove kinderen, en met dove volwassenen. Ze zei me “als er andere dove mensen bij zijn, verandert er iets aan hem. Ik kan dat niet uitleggen, maar vanbinnen in hem verandert er iets.”
Een Deafhood-zaadje dat in hem zit sinds zijn geboorte en telkens als hij dove mensen ziet, zichzelf kan zijn, water krijgt en groeit?

Haar zoon heeft één apparaat en een CI. Hij doet het daar ok mee, maar ze zei “ik ben pas echt bij mijn zoon als hij die apparaten uit heeft. Als hij ze aan heeft is hij … ik weet niet … iemand anders. Ik ben het dichtst bij hem als hij ze niet in heeft. Dan weet ik: dit is mijn zoon.”

Ik word daar even stil van.

Waarom laten we dove kinderen niet zijn wie ze zijn?

 
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, symptoms
en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.
The Belgian negotiators reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, link but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, tadalafil the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, viagra the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro bono basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, right at the heart of their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The struggle of the Flemish Deaf Association for equal access to secondary and higher education for deaf children and students has hopefully reached an end. It is only one of the many battles the association needs to fight to change policy linked to Deaf education. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian negotiators reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, link but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, tadalafil the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, viagra the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro bono basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, right at the heart of their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The struggle of the Flemish Deaf Association for equal access to secondary and higher education for deaf children and students has hopefully reached an end. It is only one of the many battles the association needs to fight to change policy linked to Deaf education. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, viagra
en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.
The Belgian negotiators reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, link but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, tadalafil the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, viagra the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro bono basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, right at the heart of their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The struggle of the Flemish Deaf Association for equal access to secondary and higher education for deaf children and students has hopefully reached an end. It is only one of the many battles the association needs to fight to change policy linked to Deaf education. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, viagra
en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, more about
ed en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, neuropathologist en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was en is één van de topprioriteiten van Fevlado, medical de afwezigheid van VGT op de VRT kwam naar voor op elke studiedag, elke workshop, in vele gesprekken met dove mensen. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.

En ja, we komen van ver. Ik herinner me nog levendig sommige vergaderingen met de VRT: “maar er is toch al ondertiteling?”, “het is maar een kleine doelgroep”, “klopt het dat gebarentaal gaat uitsterven?” et cetera.

Nu het moment er is dat er eigenlijk een serieuze stap vooruit wordt geboekt, blijft het vrij stil. Er waren enkele posts op Facebook en Fevlado berichtte via hun website dat ze zeer tevreden zijn maar blijven streven naar het dagelijks uitzenden van deze programma’s in VGT op televisie en niet enkel via het internet.

Wat houdt dat stukje in de beheersovereenkomst nu juist in? De VRT heeft het over “via het open internet met gebarentaal aanbieden”. Fevlado verduidelijkt dat het gaat om “het brengen van het Journaal en Karrewiet door dove vertalers”. Benieuwd welke vorm dit juist zal aannemen: een vertaling van het nieuws, of een eigen (eventueel) kortere nieuwsuitzending in VGT, met een voice-over, zoals ze in Finland al doen?

Het is in ieder geval geweldig dat de VRT de meeste aanbevelingen van Fevlado volgt: (1) als er gekozen moet worden, dan eerst programma’s voor kinderen en jongeren (Karrewiet) en duidingsprogramma’s (Het journaal) en (2) het inzetten van dove vertalers.

Ik ben heel benieuwd wat er nu gaat gebeuren. Het gaat in ieder geval een boost geven aan de uitbreiding van het VGT-lexicon. Zijn er naamgebaren voor bijvoorbeeld Anders Behring Breivik, of Hosni Moebarak? Gebaren voor allerlei begrippen, plaatsen, landen, personen, … die nu m

 
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, cialis 40mg en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was en is één van de topprioriteiten van Fevlado, de afwezigheid van VGT op de VRT kwam naar voor op elke studiedag, elke workshop, in vele gesprekken met dove mensen. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.

En ja, we komen van ver. Ik herinner me nog levendig sommige vergaderingen met de VRT: “maar er is toch al ondertiteling?”, “het is maar een kleine doelgroep”, “klopt het dat gebarentaal gaat uitsterven?” et cetera.

Nu het moment er is dat er eigenlijk een serieuze stap vooruit wordt geboekt, blijft het vrij stil. Er waren enkele posts op Facebook en Fevlado berichtte via hun website dat ze zeer tevreden zijn maar blijven streven naar het dagelijks uitzenden van deze programma’s in VGT op televisie en niet enkel via het internet.

Wat houdt dat stukje in de beheersovereenkomst nu juist in? De VRT heeft het over “via het open internet met gebarentaal aanbieden”. Fevlado verduidelijkt dat het gaat om “het brengen van het Journaal en Karrewiet door dove vertalers”. Benieuwd welke vorm dit juist zal aannemen: een vertaling van het nieuws, of een eigen (eventueel) kortere nieuwsuitzending in VGT, met een voice-over, zoals ze in Finland al doen?

Het is in ieder geval geweldig dat de VRT de meeste aanbevelingen van Fevlado volgt: (1) als er gekozen moet worden, dan eerst programma’s voor kinderen en jongeren (Karrewiet) en duidingsprogramma’s (Het journaal) en (2) het inzetten van dove vertalers.

Ik ben heel benieuwd wat er nu gaat gebeuren. Het gaat in ieder geval een boost geven aan de uitbreiding van het VGT-lexicon. Zijn er naamgebaren voor bijvoorbeeld Anders Behring Breivik, of Hosni Moebarak? Gebaren voor allerlei begrippen, plaatsen, landen, personen, … die nu misschien al gebruikt worden door gebarentaligen maar waarvan niet iedereen het bestaan weet, zullen via het internet en digitale televisie verspreid worden.

 
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, ask en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was en is één van de topprioriteiten van Fevlado, physiotherapist de afwezigheid van VGT op de VRT kwam naar voor op elke studiedag, sale elke workshop, in vele gesprekken met dove mensen. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.

En ja, we komen van ver. Ik herinner me nog levendig sommige vergaderingen met de VRT: “maar er is toch al ondertiteling?”, “het is maar een kleine doelgroep”, “klopt het dat gebarentaal gaat uitsterven?” et cetera.

Nu het moment er is dat er eigenlijk een serieuze stap vooruit wordt geboekt, blijft het vrij stil. Er waren enkele posts op Facebook en Fevlado berichtte via hun website dat ze zeer tevreden zijn maar blijven streven naar het dagelijks uitzenden van deze programma’s in VGT op televisie en niet enkel via het internet.

Wat houdt dat stukje in de beheersovereenkomst nu juist in? De VRT heeft het over “via het open internet met gebarentaal aanbieden”. Fevlado verduidelijkt dat het gaat om “het brengen van het Journaal en Karrewiet door dove vertalers”. Benieuwd welke vorm dit juist zal aannemen: een vertaling van het nieuws, of een eigen (eventueel) kortere nieuwsuitzending in VGT, met een voice-over, zoals ze in Finland al doen?

Het is in ieder geval geweldig dat de VRT de meeste aanbevelingen van Fevlado volgt: (1) als er gekozen moet worden, dan eerst programma’s voor kinderen en jongeren (Karrewiet) en duidingsprogramma’s (Het journaal) en (2) het inzetten van dove vertalers. Het zal nu aan Fevlado zijn om ervoor te lobbyen dat deze beheersovereenkomst effectief uitgevoerd wordt (voor ondertiteling bijvoorbeeld zijn niet alle afspraken uit de vorige beheersovereenkomst nagekomen), en dat de digitale distributeurs het signaal uitzenden.

Ik ben heel benieuwd wat er nu gaat gebeuren en zeker vanaf januari 2012, wanneer het nieuws dagelijks in VGT te zien zal zijn. Hoe zullen de dove vertalers het concreet aanpakken? Wat gaat dat doen met het zelfbeeld van dove kinderen en jongeren die anders nooit een dove volwassene tegenkomen, om nu plots één keer per week Karrewiet in VGT op TV te zien, en elke dag op het internet? Wat gaan de gevolgen zijn voor die visie van het grote publiek op VGT? Het gaat in ieder geval een boost geven aan de uitbreiding van het VGT-lexicon. Zijn er naamgebaren voor bijvoorbeeld Anders Behring Breivik, of Hosni Moebarak? Gebaren voor allerlei begrippen, plaatsen, landen, personen, … die nu misschien al gebruikt worden door gebarentaligen maar waarvan niet iedereen het bestaan weet, zullen via het internet en digitale televisie verspreid worden.

Ik duim alvast voor een goed verloop van de testweek in september!

 
Vorige week werd de nieuwe beheersovereenkomst 2012-2016 tussen de Vlaamse overheid en de VRT bekend gemaakt. Onder punt 6.1.2.2. “Diversiteit en doelgroepenbeleid” staat te lezen dat de VRT haar aanbod ook “toegankelijk” moet maken voor personen met een “auditieve/visuele beperking”, herpes en daartoe o.a. het volgende aanbiedt:

Gebarentaal: het journaal van 19u en het Ketnet-journaal worden via het open internet met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst. Dit signaal wordt ook digitaal aangeboden aan de distributeurs die die service ook via interactieve digitale televisie kunnen verspreiden. Het weekoverzicht van het Ketnet-journaal wordt via TV met gebarentaal aangeboden binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

De Vlaamse Dovengemeenschap pleit al jaren voor “VGT op de VRT”. Het was en is één van de topprioriteiten van Fevlado, de afwezigheid van VGT op de VRT kwam naar voor op elke studiedag, elke workshop, in vele gesprekken met dove mensen. Het was ook één van de eisen van de petitie die DAF in 2004 startte.

En ja, we komen van ver. Ik herinner me nog levendig sommige vergaderingen met de VRT: “maar er is toch al ondertiteling?”, “het is maar een kleine doelgroep”, “klopt het dat gebarentaal gaat uitsterven?” et cetera.

Nu het moment er is dat er eigenlijk een serieuze stap vooruit wordt geboekt, blijft het vrij stil. Er waren enkele posts op Facebook en Fevlado berichtte via hun website dat ze zeer tevreden zijn maar blijven streven naar het dagelijks uitzenden van deze programma’s in VGT op televisie en niet enkel via het internet.

Wat houdt dat stukje in de beheersovereenkomst nu juist in? De VRT heeft het over “via het open internet met gebarentaal aanbieden”. Fevlado verduidelijkt dat het gaat om “het brengen van het Journaal en Karrewiet door dove vertalers”. Benieuwd welke vorm dit juist zal aannemen: een vertaling van het nieuws, of een eigen (eventueel) kortere nieuwsuitzending in VGT, met een voice-over, zoals ze in Finland al doen?

Het is in ieder geval geweldig dat de VRT de meeste aanbevelingen van Fevlado volgt: (1) als er gekozen moet worden, dan eerst programma’s voor kinderen en jongeren (Karrewiet) en duidingsprogramma’s (Het journaal) en (2) het inzetten van dove vertalers. Het zal nu aan Fevlado zijn om ervoor te lobbyen dat deze beheersovereenkomst effectief uitgevoerd wordt (voor ondertiteling bijvoorbeeld zijn niet alle afspraken uit de vorige beheersovereenkomst nagekomen), en dat de digitale distributeurs het signaal uitzenden.

Ik ben heel benieuwd wat er nu gaat gebeuren en zeker vanaf januari 2012, wanneer het nieuws dagelijks in VGT te zien zal zijn. Hoe zullen de dove vertalers het concreet aanpakken? Wat gaat dat doen met het zelfbeeld van dove kinderen en jongeren die anders nooit een dove volwassene tegenkomen, om nu plots één keer per week Karrewiet in VGT op TV te zien, en elke dag op het internet? Wat gaan de gevolgen zijn voor die visie van het grote publiek op VGT? Het gaat in ieder geval een boost geven aan de uitbreiding van het VGT-lexicon. Zijn er naamgebaren voor bijvoorbeeld Anders Behring Breivik, of Hosni Moebarak? Gebaren voor allerlei begrippen, plaatsen, landen, personen, … die nu misschien al gebruikt worden door gebarentaligen maar waarvan niet iedereen het bestaan weet, zullen via het internet en digitale televisie verspreid worden.

Ik duim alvast voor een goed verloop van de testweek in september!

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, health but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro deo basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreter are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, and a chance for them defend their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this, more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with psychological problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has also firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. This is a case where this “disability convention” offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The Flemish government now gets 5 months time to see to it that the 3 deaf students concerned have an interpreter for a minimum of 70% of the teaching hours, under penalty of a fine of 250 euros a day per student. Let’s hope this case is a precedent.

The Flemish Deaf Association’s and the parents’ struggle for equal access to secondary education for deaf children is now in its 15th year. Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, tadalafil but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, prescription the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, esophagitis the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro deo basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreter are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, and a chance for them defend their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this, more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with psychological problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has also firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. This is a case where this “disability convention” offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The Flemish government now gets 5 months time to see to it that the 3 deaf students concerned have an interpreter for a minimum of 70% of the teaching hours, under penalty of a fine of 250 euros a day per student. Let’s hope this case is a precedent.

The Flemish Deaf Association’s and the parents’ struggle for equal access to secondary education for deaf children is now in its 15th year. Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, viagra 40mg but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, prostate the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro deo basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, and a chance for them defend their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this, more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with psychological problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has also firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. This is a case where this “disability convention” offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The Flemish government now gets 5 months time to see to it that the 3 deaf students concerned have an interpreter for a minimum of 70% of the teaching hours, under penalty of a fine of 250 euros a day per student. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

The Flemish Deaf Association’s and the parents’ struggle for equal access to secondary education for deaf children is now in its 15th year. Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, stomatology but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, case the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro deo basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, right at the heart of their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The Flemish government now gets 5 months time to see to it that the 3 deaf students concerned have an interpreter for a minimum of 70% of the teaching hours, under penalty of a fine of 250 euros a day per student.

The struggle of the Flemish Deaf Association for equal access to secondary and higher education for deaf children and students has hopefully reached an end. It is only one of the many battles the association needs to fight to change policy linked to Deaf education. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, surgeon but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro deo basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, and a chance for them defend their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009 (in March 2009 when the case started, the government had not yet ratified the UNCRPD). Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The Flemish government now gets 5 months time to see to it that the 3 deaf students concerned have an interpreter for a minimum of 70% of the teaching hours, under penalty of a fine of 250 euros a day per student. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

The Flemish Deaf Association’s struggle for equal access to secondary and higher education for deaf children is now in its 15th year. It is only one of the many battles they need to fight concerning education for deaf children.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, visit this but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro bono basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, right at the heart of their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The struggle of the Flemish Deaf Association for equal access to secondary and higher education for deaf children and students has hopefully reached an end. It is only one of the many battles the association needs to fight to change policy linked to Deaf education. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, help but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, sildenafil the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, medicine the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro deo basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, right at the heart of their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The Flemish government now gets 5 months time to see to it that the 3 deaf students concerned have an interpreter for a minimum of 70% of the teaching hours, under penalty of a fine of 250 euros a day per student.

The struggle of the Flemish Deaf Association for equal access to secondary and higher education for deaf children and students has hopefully reached an end. It is only one of the many battles the association needs to fight to change policy linked to Deaf education. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
The Belgian government reached an agreement today on Brussels-Halle-Vilvoorde, help but the Flemish Deaf community has its own milestone.

Today, sildenafil the Flemish government was sentenced for the second time in two years for discrimination of deaf students in secondary education. The government is guilty of refusal of reasonable accommodations for deaf students (in the form of enough interpreting hours) – a legal form of discrimination. With this sentence, medicine the Court of Appeal has reaffirmed the 2009 sentence of the first Court in Ghent.

The case was submitted in 2009 by four deaf parents of deaf children, supported by the Flemish Deaf Association Fevlado. They were assisted by the Brussels law firm Stibbe, which has taken on this case on a pro deo basis.

In August 2009, the Flemish government entered an appeal against this sentence not because they thought the parents’ demands were unreasonable, or more interpreting hours were not within their budgetary possibilities (at least they didn’t say that officially), but because, so they said, “there were not enough interpreters” to provide more interpreting hours. This was their claim in 2009, and they repeated the very same argument in 2011, in Higher Appeal.

The judge in Higher Appeal could see right through it and did not follow their argument. The court clearly states that the Flemish government’s position of suggesting that the “shortage” of interpreters is an external reality outside their sphere of influence is nonsense and that in reality, the cause of the so-called “shortage” lies with the Flemish government itself. Indeed, there effectively are enough people with an interpreter qualification in Flanders (about 282 certified interpreters). The problem is they have troubles to effectively work as interpreters in education because of job insecurity (low amount of interpreting hours funded by the government), the by the government enforced “self-employed” statute, the low wage and the administrative overregulation. Add to this the fact that many interpreters are women who also have to cope with the combination work-family, and that the training does not fully equip them to learn how to make the best out of their “self-employed” status, and you get the full picture.

It will be interesting to see the reaction of the BVGT (the Flemish interpreter association), since this is a crucial case for them and their profession, right at the heart of their interests (higher wage, better working conditions, more job security).

The government also stated that if the three students concerned would receive more interpreting hours, the other deaf students would be victims of this. This was also refuted by the judge, stating that the government need to provide equal treatment of persons with an equal “handicap” and that the mere supposition that because of this more students would be entitled to more interpreting hours, does not mean this would be an unreasonable accommodation.

The judge also stated that this case is first of all a case of social justice, and that the government also needs to be aware that the costs now (when providing deaf students truly equal access to education) are nothing compared to the costs in the long term when they maintain the status-quo: low-educated and/or unemployed deaf adults, deaf adults with mental health problems, and, as a result of this: deaf adults living on social security and other allowances.

It is also equally important to realise that Flemish deaf students, if they want to obtain a diploma which allows them to enter higher education, have no other choice than to go to a mainstream school. There is no alternative. That the Flemish government does not offer these students any other choice (e.g. sign language medium secondary education) is one thing, but that they force deaf studens to sit in a classroom where most of the time they don’t have a clue what’s going on, is criminal. According to Tove Skutnabb-Kangas, such a situation where the language of instruction is incomprehensible, even amounts to no education at all.

With this sentence, the judge in higher appeal has firmly reminded the Flemish government of the engagement they undertook when ratifying the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities in July 2009. Although the case was primarily based on the Flemish decree on Equal opportunities and Equal treatment, which was adopted in 2008, this is also a case where the UNCRPD, although a “disability convention”, offers a pathway for social and language justice for deaf people.

The Flemish government now gets 5 months time to see to it that the 3 deaf students concerned have an interpreter for a minimum of 70% of the teaching hours, under penalty of a fine of 250 euros a day per student.

The struggle of the Flemish Deaf Association for equal access to secondary and higher education for deaf children and students has hopefully reached an end. It is only one of the many battles the association needs to fight to change policy linked to Deaf education. Let’s hope this case is a precedent and deaf students can finally access secondary education through their mother tongue.

Maybe Pascal Smet, the Flemish minister of Education, needs to make some time to listen to the wise words of the American abolitionist and statesman Frederick Douglass: “It is easier to build strong children than to repair broken men.”

 
*Deze opinie had ik eigenlijk in september geschreven voor de kranten, visit web
maar ze werd niet opgenomen. Ik post ze hier dus.*

Op de vraag waar dove kinderen gebarentaal leren krijg je bijna altijd als antwoord: “op school zeker?” of “van hun ouders?”. Dat is een heel normaal antwoord, of dat zou het toch moeten zijn. Want verbijsterend genoeg is de realiteit heel anders. In de eerste schoolmaand van 2011 dringen deze vragen zich opnieuw op: waarom krijgen de meeste dove kinderen (nog steeds) geen les in Vlaamse Gebarentaal (VGT)? En waar leren ze die taal dan wel?

90% tot 95% van de dove kinderen heeft horende ouders die op het moment dat hun baby geboren wordt in de meeste gevallen geen VGT kennen. Ziedaar al het enorme belang van een vroeg aanbod VGT voor ouders en kind, en zeker op school. Ironisch genoeg moeten dove kinderen in bijna alle gevallen les volgen in het gesproken Nederlands, dat voor hen niet of moeilijk toegankelijk is. De wereld op z’n kop, zegt u?

Er zijn alvast heel wat ouders van dove kinderen het met u eens. De enige school voor buitengewoon onderwijs waar dove kinderen les krijgen in VGT is in de rand van Brussel en is door de afstand voor veel ouders geen haalbare kaart. Bovendien is het niveau in deze scholen niet hetzelfde als dat van het gewoon basisonderwijs. Steeds meer ouders sturen hun kind dan ook naar een gewone basisschool. Maar ook daar wordt geen lesgegeven in VGT en dove kinderen zijn er vaak helemaal alleen. Ze moeten zwemmen of verzuipen. En veel dove kinderen verzuipen er.

Met uitzondering van die ene school is er in het Nederlandse taalgebied dus geen enkele basisschool toegankelijk voor dove kinderen. De Vlaamse overheid grijpt niet in en kiest ervoor om in plaats van het systeem, de kinderen aan te passen. Dit gebeurt door een machtig medisch discours dat dove kinderen “normaal” wil maken en dat zich nu ook gesteund ziet door technologische evoluties zoals het cochleair implantaat.

Het verbaast u misschien dat er weinig opstand komt tegen deze situatie. De invloed van de Dovengemeenschap is echter klein en fragmentarisch. Ze werd als minderheidsgroep meer dan 120 jaar lang onderdrukt door haar o.a. het recht op onderwijs in VGT te ontzeggen. Hierdoor daalde het opleidingsniveau en werden dove mensen kleingehouden. Daardoor kwam er niemand in opstand (of althans niet in het openbaar). Maar er zijn nog andere redenen voor het “succes” van dit normalisatiediscours. Horende ouders worden bij de geboorte van hun kind niet geïnformeerd over het belang van VGT, zelfs afgeraden om de taal te leren. Het advies van de medische professionals komt er meestal al voor zij goed en wel beseffen dat hun kindje doof is, en ze gaan er dan ook meestal zonder enig besef in mee. Dove ouders zijn mondiger geworden de laatste jaren maar toch zijn ook zij vaak nog – door de jarenlange onderdrukking en het algemene lage opleidingsniveau – makkelijk vatbaar voor deze medische beïnvloeding.

U als lezer bent niet op de hoogte van wat er gebeurt in het “dovenonderwijs” en u gaat er dus terecht vanuit dat als u dove kinderen ziet gebaren, ze dat wel op school geleerd zullen hebben. Maak u geen illusies: het is eerder “ondanks” dan “dankzij” de meeste dovenscholen en het overheidsbeleid dat dove kinderen nog VGT leren (maar helaas pas wanneer ze ouder zijn). Omdat die taal voor hen is als ademen. Levensnoodzakelijk. Het is de taal waarin ze zich het beste kunnen uitdrukken, en die voor hen 100% begrijpbaar is. Dat net die taal hen al van bij de geboorte én gedurende hun hele onderwijsloopbaan ontzegd wordt, is niet alleen fout. Het is misdadig.

Hoe kan de Vlaamse overheid VGT erkennen, wanneer ze op hetzelfde moment toestemt met of althans niet ingaat tegen de professionals die ouders van dove kinderen afraden om VGT te leren? Wanneer die ouders zich bijna verplicht voelen een CI te kiezen voor hun kind bij gebrek aan volwaardige onderwijsalternatieven?

Ook de Dovengemeenschap moet in eigen boezem kijken: het advies dat een CI ok is “als het maar samengaat met gebarentaal” was strategisch geen verstandige zet. Ten eerste weten we al lang dat dit advies door 95% van de medische professionals aan hun laars gelapt wordt. VGT wordt pas als “oplossing” voorgesteld wanneer men inziet dat het CI niet zo goed werkt als men gewenst had. Ten tweede is het absurd om een chirurgische ingreep en een taal met elkaar te gaan vergelijken. Het CI is een optie voor een kind. Zoals je een optie kan kiezen bij een bepaald automodel en daardoor de rijervaring makkelijker of veiliger maakt. Een autostuur wordt niet aangeboden als optie, net zomin als VGT een optie is of mag zijn. VGT is een geboorterecht. Voor elk doof kind, ook die kinderen met CI. En het is aan de Vlaamse overheid om structuren op te zetten die dove kinderen dit geboorterecht garanderen.

De conceptnota talenbeleid van minister van Onderwijs Pascal Smet die deze zomer door de Vlaamse Regering goedgekeurd wordt, is een begin. De nota erkent dat tweetalig onderwijs een belangrijke meerwaarde kan betekenen in de academische en socio-emotionele ontwikkeling van dove kinderen, en dat er prioritair werk gemaakt moet worden van taalverwerving (eerst VGT en daar bovenop Nederlands), vooral binnen specifiek “dovenonderwijs”. Een taalbad dus; niet zwemmen of verzuipen. Het zou logisch zijn moest dit uitgewerkt kunnen worden binnen het gewoon onderwijs. Als een VGT-talige basisschool met het accent op een brede algemene vorming en totale persoonlijkheidsontwikkeling, vertrekkend vanuit visualiteit én tweetaligheid (VGT en geschreven Nederlands). Uiteraard moet ook het gesproken Nederlands als optie aangeboden worden wanneer ouders dat wensen en het haalbaar is voor het kind. Maar dit mag niet ten koste gaan van de verwerving van VGT en geschreven Nederlands, en evenmin ten koste van de algemene kennis – zoals helaas nog steeds het geval is.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s